Schade?

Bel ons (0174) 526 767

Adresgegevens Route

Aftrek 'nieuw voor oud' bij schade

Het doel van een schadevergoeding  in geval van schade is de schade van een benadeelde te compenseren.  Hierbij wordt gestreefd het vermogen van de benadeelde na de schadegebeurtenis terug te brengen op het niveau van voor de schadegebeurtenis. Om dit te bereiken maakt men gebruik van de vermogensvergelijking.

 

Bij zaakschade, een vorm van vermogensschade, draagt de wet, art. 6:97 BW, de rechter op een schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Het uitgangspunt van de schadeberekening is dat een benadeelde op het moment van de schade een schade lijdt die gelijk is aan de waardevermindering van die zaak. Als herstel mogelijk is dan wordt de schade uitgedrukt in de te bepalen kosten van herstel.

 

Ook als een benadeelde een schade ‘in eigen beheer’ repareert moet de schade worden bepaald op grond van de naar objectieve maatstaven berekende normale herstelkosten, oftewel de kosten die een bekwaam reparateur voor de reparatie in rekening zou hebben gebracht. De schadeveroorzaker mag er niet van profiteren dat de benadeelde de zaak goedkoper kan herstellen dan een normale reparateur (Hoge Raad 16 juni 1961, NJ 1961, 444).

 

Indien de aansprakelijke partij aanbiedt het herstel zelf te verzorgen en de benadeelde geen goede gronden heeft dit te weigeren dan mag herstel door de aansprakelijke partij plaatsvinden. Reden hiervoor kan zijn dat de aansprakelijke partij op deze manier erin slaagt de schade te beperken.

Indien na het herstel de waardevermindering die is opgetreden als gevolg van de schadegebeurtenis niet is opgeven dan is er nog, onder bepaalde voorwaarden, ruimte voor een aanvullende vergoeding  om deze waardevermindering alsnog op te heffen. Ook het omgekeerde kan aan de orde zijn. Deze situatie kan zich voordoen als bij herstel gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld nieuwe onderdelen en daardoor de levensduur van het beschadigde object wordt verlengd. In deze gevallen kan, onder bepaalde voorwaarden, een aftrek ‘nieuw voor oud’ plaatsvinden.

 

Alleen voordeel dat daadwerkelijk is of naar redelijkheid zal worden genoten kan worden verrekend. Vaak wordt in geval van schade in deze situaties het in de verzekeringswereld gehanteerde begrip ‘indemniteitsbeginsel’ opgevoerd. Dit beginsel stelt dat een benadeelde niet meer mag ontvangen dan de daadwerkelijk geleden schade. Er is alleen sprake van strijd met het ‘indemniteitsbeginsel’ als een benadeelde tengevolge van een uitkering in een duidelijk voordeliger positie komt te verkeren. Daarvan is niet snel sprake. De vraag moet worden gesteld of een benadeelde als hij de gerepareerde/herstelde zaak zelf blijft gebruiken zijn gebruikersgenot heeft zien toenemen. Het verrekenen van een waardevermindering betekent dat een benadeelde een deel van de kosten van herstel zelf moet dragen en aldus eigenlijk wordt gedwongen voor eigen rekening zijn zaak te verbeteren terwijl hij dat onder normale omstandigheden waarschijnlijk niet zou hebben gedaan. Denkt u bijvoorbeeld aan een overhead deur van ca. 10 jaar oud die door een ladende vervoerder bij het achteruit rijden met een vrachtwagen wordt beschadigd. Stel dat de deur normaal een levensduur heeft van ca. 20 jaar, een nieuwe deur bijvoorbeeld EUR 7.500,00 kost en de reparatiekosten EUR 5.000,00 bedragen. In de praktijk wordt in veel gevallen gesteld dat de dagwaarde van de deur EUR 3.750,00 bedraagt (EUR 7.500,00 : 20 x 10) en dat deze dagwaarde lager is dan de reparatiekosten, waarna wordt overgegaan tot uitkering van de dagwaarde. In dit geval dient de benadeelde dus EUR 1.250,00 zelf bij te dragen in de reparatiekosten, terwijl na reparatie geen sprake is van een toegenomen gebruiksgenot. De deur is in dit geval wel voorzien van nieuwe onderdelen, het voordeel van de benadeelde  ligt echter in de toekomst (in dit geval over 10 jaar). Hiervan heeft de Hoge Raad gezegd dat sprake is van een dermate uitgesteld voordeel dat niet van benadeelde kan worden verlangd dat deze bijdraagt in de kosten van het herstel.

 

Een aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ is niet ongepast bij het vaststellen van schades, de omstandigheden kunnen echter met zich meebrengen dat die aftrek in veel gevallen niet op z’n plaats is.